Tegen wil en dank (Jona 3)

Tegen wil en dank (Jona 3)
Datum 25 augustus - 1 september

Jona begrijpt dat hij niet aan zijn opdracht ontkomt de inwoners van Ninevé te waarschuwen dat hun goddeloos gedrag hun ondergang zal worden. Maar hij zal het niet overdrijven. Deze grote stad beslaat “drie dagreizen”, maar verder dan één dagreis komt hij niet. En in plaats van die bewoners op te roepen zich te bekeren, kondigt hij louter hun ondergang aan, en roept: “Nog veertig dagen, dan gaan jullie eraan!”
De woorden van Jona slaan in als een bliksem. Het hele volk, van de laaggeplaatsten tot en met de koning, beseft dat deze vreemdeling gelijk heeft, dat men inderdaad als volk aan de rand van de afgrond staat, dat onrecht en overspel en terreur aan de orde van de dag zijn, ja normaal, de norm zijn geworden. De koning trekt een rouwgewaad aan roept een vasten uit, ja zelfs de dieren mogen niet grazen en niet drinken. “Wie weet,” zegt men, “wie weet, God mocht zich omkeren en berouw krijgen en zijn brandende toorn laten varen, zodat wij niet ten onder gaan.”

“Toen God zag,” zegt het verhaal, “wat zij deden, hoe zij zich bekeerden van hun boze weg, berouwde het hem over het kwaad dat hij gedreigd had hen te zullen aandoen, en hij deed het niet.”

Wie de schrijver is van dit verhaal weten we niet, maar hier benadrukt deze opnieuw wat wij in het begin van het Jonaverhaal ook al zagen: het mag dan zijn dat God ons volk heeft opgedragen om met wat hij ons geleerd heeft de andere volken tot een zegen te zijn, maar soms begrijpen volken die de Bijbel niet kennen beter waar het allemaal om gaat dan heel ons zogenaamde uitverkoren volk.
Kortom: laten we voorzichtig zijn om mensen te bestempelen als gelovig of ongelovig. Loopt die scheidslijn niet eerder dwars door onze eigen ziel?

Deze tekst komt uit het boek “Bijbelse miniaturen” van Carel ter Linden – hij heeft het zo mooi verwoord, dat ik het integraal overgenomen heb  

(foto: verbeelding van biddende joden, christenen en moslims, gericht naar hetzelfde middelpunt. Het beeld staat in Nes Ammim, Israël)

Agenda