23 september 2025

Jouw God – Mijn God – Onze God

Geschreven door Tjaard Barnard

Tijdens de dienst van de startzondag werd door Tjaard Barnard een preek gehouden met de bovenstaande titel. Wat heb je aan een geloofsgemeenschap? Wat kan die voor je betekenen?


Jouw God
Het verhaal van Ruth is altijd een aandoenlijk verhaal. Het verhaal van Naomi is een typisch vluchtelingenverhaal. De economische vluchtelinge Naomi vertrekt als het economisch niet goed gaat in het land Judea met haar man van Betlehem naar het overjordaanse land, Moab. Daar krijgen ze zonen en die zonen krijgen vrouwen. Dan slaat het noodlot toe. De drie mannen overlijden. En Naomi blijft over met haar twee schoondochters: Ruth en Orpa. Naömi hoort dat het weer goed gaat in haar eigen land en wil weer terugkeren naar Bethlehem. De beide dames willen in eerste instantie mee gaan. Ze zijn gehecht geraakt aan hun schoonmoeder. En misschien is de positie van een weduwe eerder bij haar schoonfamilie dan weer terug gaan naar de oorspronkelijke familie. We lazen het gedeelte waarin Orpa toch maar besluit naar huis te gaan en Ruth haar aanhankelijkheid betuigt aan haar schoonmoeder.

In orthodoxe kringen is dit verhaal heel populair omdat het een bekeringsverhaal is. De Moabitische Ruth bekeert zich als het ware tot de enige, ware God. De God van Israël. Jouw God is mijn God. U begrijpt, deze uitspraak kun je heel vroom duiden.

Queer-theologie duidt het verhaal heel anders. Er valt iets bijzonders op bij precieze lezing. Iets wat je niet zou verwachten. In vs. 14 van het stukje dat we lazen staat iets opvallends. De oorspronkelijke Statenvertaling uit 1637 zegt: ‘ende Orpa kuste hare schoonmoeder, maer Ruth kleefde haer aen’. Dat ‘aankleven’ komt ook op een andere plek in het Oude Testament voor en wel aan het einde van het scheppingsverhaal in Genesis 2. Daar lezen we: ‘Daerom sal de man sijnen vader ende sijne moeder verlaten, ende sijnen wijve aenkleven, ende sy sullen tot een vleesch zijn.’

Dus Ruth kleeft bij Naomi aan, zoals een man bij een vrouw volgens het scheppingsverhaal. Het is niet onbegrijpelijk dat creatieve bijbeluitleggers hier iets heel moois zien tussen de beide dames. A dirty mind is a joy for ever.

Wat daarvan ook zij, de verdere uitspraken van Ruth zijn in dat geval toch veel eerder een teken van aanhankelijkheid van Ruth richting Naomi dan een bekering. Met huid en haar wil zij mee met haar schoonmoeder.

Tenslotte kun je de tekst ook heel pragmatisch duiden. Goden waren in de tijd dat dit boekje geschreven werd vooral stamgoden. In Moab had je andere goden dan in Israël. Zoals je, wanneer je de grens bij Hazeldonk overgaat opeens een andere koning hebt: Flipke in plaats van Willy. Dus dan hoef je de woorden Jouw God is Mijn God niet te lezen als een bekering, ook niet als een aanhankelijkheid aan een ander mens, maar als een realistische daad van inburgering. ‘s Lands wijs, ‘s lands eer. En in het nieuwe land is er nu eenmaal die andere godheid. In de bijbel is Ruth het voorbeeld van een geweldig geslaagde inburgering. Deze sterke vrouw wordt uiteindelijk een voormoeder van koning David en zo hoort ze er helemaal bij.

Mijn God
Het verhaal van de ongelovige Thomas heeft in kringen van moderne gelovigen niet zo’n negatieve lading als elders. Eigenlijk begrijpen we deze Thomas heel erg goed. Ongeloof is niet iets verwerpelijks, maar een rationele optie. Het is in onze eigen ogen gekker dat wij geloven, dan dat er anderen zijn die niet geloven.

Terug naar het verhaal van Thomas. Zijn collega leerlingen hadden op een eerder moment Jezus al gezien na zijn opstanding, maar hij niet. En hij geloofde niet op het gezag van zijn maten. Voor hem gold het gezonde motto: ‘eerst zien, dan geloven’. En wie van ons zou het hem kwalijk nemen? Geloven op gezag is bij ons niet populair. Geloof is iets heel persoonlijks. Pas als het je wat zegt, als je zelf iets voelt of ervaart, begint het voor ons relevant te worden.

Niet omdat het nu eenmaal zo is, niet omdat anderen het zeggen, maar uiteindelijk alleen als je er zelf wat mee hebt. Je kunt tenslotte niet het geloof van een ander geloven. Voor remonstranten geldt dan ook dat wij in onze kerk onze eigen belijdenis schrijven. Van nature hebben we een probleem met belijdenissen, hoe oud en eerbiedwaardig ook, die ons voorschrijven wat we zouden moeten geloven. We zijn tenslotte in 1619 met zo’n belijdenis de kerk uitgegooid.

In die zin was de prachtige campagne tien jaar geleden ook een schot in de roos. U weet wel, die foto’s van een remonstrant met een tekst erbij. Ik noem ze alle twaalf nog eens op, omdat het nog steeds woorden zijn die te denken geven.

Mijn God trouwt ook homo’s
Mijn God dwingt me tot niets
Mijn God begon met de oerknal
Mijn God schiep eerst de dieren
Mijn God laat me zelf nadenken
Mijn God doet niet aan dogma’s
Mijn God laat zich niet kennen
Mijn God laat vrouwen voorgaan
Mijn God is een superoptimist
Mijn God kijkt niet op me neer
Mijn God kan tegen een grapje
Mijn God gelooft in mij


Maar het was ook een campagne die tot veel misverstanden aanleiding gaf.

Want voor buitenstaanders leek het er erg op dat die remonstranten nu ineens precies wisten hoe God in elkaar zat. Terwijl het voor de meeste vrijzinnigen volstrekt helder was dat met de woorden ‘Mijn God’ toch vooral mijn persoonlijke godsbeeld bedoeld werd, dachten anderen dat wij hiermee precies God wilden definiëren. Als in: wij weten zeker dat God in de hemel homo’s trouwt. Maar weinig vrijzinnigen zullen zo stellig in de wedstrijd zitten. Geloven is iets persoonlijk. Mijn Godsbeeld is dat ook. Ik geloof dit. Maar ik kan me heel goed voorstellen dat anderen iets anders geloven. En het kan natuurlijk heel goed zijn, dat mijn beeld niet klopt. Of dat God niet bestaat.
Maar als ik geloof, laat ik me daarin niets door een ander voorschrijven.

Want geloof, dat is van mij. Dat is mijn ervaring in het leven, gesterkt door alles wat er om mij heen gebeurt. Gesterkt door de oude verhalen. Gesterkt door het feit dat mensen al tweeduizend jaar Jezus van Nazareth volgen. Maar hoe je het ook wendt of keert, het is en blijft mijn geloof!

Onze God
Begrijp me goed. Het betoog dat je alleen je eigen geloof kunt geloven, betekent niet, dat je niet over het geloof kunt praten. Ik denk dat dat heel goed kan. Een poging daartoe vinden we in dat bekende verhaal van Paulus op de Areopagus in Athene. Paulus wordt hier geschetst als een zeer open verkondiger van zijn boodschap. Misschien bij de schrijver van Handelingen wat opener dan je zou denken als je alleen zijn brieven leest. Hij staat hier niet alleen op zenden, maar probeert hier zijn hoorders mee te nemen. Hij past zich aan aan wat hij om zich heen ziet. Hij praat over zijn eigen geloof, maar durft dat te doen in de taal van de ander. Hij zoekt een gemeenschappelijke taal, een gemeenschappelijke ervaring om daarna te vertellen wat hij graag kwijt wil.

Zo vertelt hij over dat altaar voor die onbekende God. In de oorspronkelijke context een altaar om te voorkomen dat je tussen de vele goden er eentje zou vergeten. Dat zou niet handig zijn, want goden willen liever niet vergeten te worden.

Die God, zegt Paulus, die jullie zoeken te vereren maar ook niet helemaal kennen, over hem kom ik jullie vertellen. Eigenlijk is het een heel mooie binnenkomer. Jullie zijn vroom, jullie zoeken iemand. Ik kan jullie meer vertellen.

Hebben we hiermee niet in essentie geschetst wat een geloofsgemeenschap voor ons kan betekenen? Of ook wat het samenwonen van twee geloofsgemeenschappen kan betekenen, die langzaamaan, als de egeltjes, een beetje naar elkaar toe groeien? Namelijk: het zoeken naar een gemeenschappelijke grond in het geloof. Het proberen de ander ten diepste te horen in wat hem of haar inspireert. Niet direct je eigen verhaal spuien, maar eerst luisteren. Maar daarna natuurlijk ook niet schromen om te vertellen wat jou raakt, waar jij door getroffen bent.

Zoiets kun je alleen maar doen wanneer je je eigen standpunt durft te relativeren. Wanneer je veronderstelt dat die ander ook wat zinnigs te zeggen heeft. Dat je er gezamenlijk wat mee kunt opschieten, verder kunt komen, wanneer je samen zoekt.

Voor ons moderne gelovigen is dat geen moeilijk uitgangspunt. Zelf weten we misschien maar weinig zeker in het geloof. En we wantrouwen een ieder die het wel weet. Maar tegelijkertijd is er wel iets dat velen van ons herkennen. Een gevoel van verbondenheid, een besef van gedragen weten. Een herkennen van een liefde die onze menselijke liefde te boven gaat en voedt. Een besef dat dit alles er niet zomaar is. Een verlangen naar iets of iemand die ons draagt. Het verlangen zo mooi bezongen in Psalm 42. Zoals het is verwoord in de oude berijming van psalm 42:

‘t Hijgend hert der jacht ontkomen,
schreeuwt niet sterker naar ‘t genot
van de frisse waterstromen,
dan mijn ziel verlangt naar God.


Is dat niet wat wij hier zoeken, gezamenlijk in deze kerk? Geen definitieve antwoorden. geen zekerheden die alle twijfels overstemmen. Maar het besef, dat het mysterie dat we soms God noemen ons allen, ieder op geheel eigen wijze, roept. Dat wij er iets aan kunnen hebben als wij ervoor openstaan. Dat het ons kan inspireren, om daar met anderen over te spreken. Dat we in de tussentijd met elkaar een geloofsgemeenschap mogen vormen die elkaar bij staat in de mooie, maar ook moeilijke momenten van het leven. En dat we, door dat zo te doen, gezamenlijk verder komen.

Ik rond af. We willen naar de krentenbol. In ons slotlied zingen we over wat we voor elkaar kunnen zijn. Een groep mensen die elkaar vasthoudt in onze gezamenlijke zoektocht in het geloof. Vasthoudt in de lofzang, maar vooral ook als het moeilijk is.

Elkaar zijn wij gegeven
tot kleur en samenklank.


en

Al is mijn stem gebroken
mijn adem zonder kracht,
het lied op andere lippen
draagt mij dan door de nacht.

Amen

Gerelateerd